Ondertussen in Polen (2/2)

Onze ‘correspondent’ Paul Meijknecht volgt de rechtsstatelijke ontwikkelingen in Polen. Het Poolse dagblad Gazeta Wyborcza heeft in de maand juni diverse artikelen gepubliceerd over de rechtspraak in Polen. Bij Rechters voor Rechters doet Paul verslag van deze berichtgeving.

Paul Meijknecht

EU-hof: zuivering Hooggerechtshof in strijd met Europees recht

Dit eindarrest (ECLI:EU:C:2019:531) betreft het ontslag – gestart in april 2018 – van meer dan één derde van de raadsheren in het Hooggerechtshof, door middel van een verlaging van de pensioenleeftijd van 70 naar 65 jaar. Het ontslag betrof ook de president van dit hof Małgorzata Gersdorf, ondanks haar in de Grondwet verankerde vijfjarige ambtstermijn die nog lang niet verstreken was. Deze operatie is nu dus definitief mislukt, met inbegrip van de daarin vervatte regeling dat president Andrzej Duda kon beslissen over individuele verzoeken van ontslagen raadsheren tot intrekking van het ontslag.

Het ging in deze zaak, ingesteld op instigatie van de Europese Commissie, over de uitleg van art. 19 van het EU-verdrag, en met name over de vraag of het feit dat rechters van lidstaten ook bevoegd en verplicht zijn Europees recht toe te passen, impliceert dat de Europese instituties dus ook bevoegd zijn hun onafhankelijkheid te checken. Die vraag is nu bevestigend beantwoord, en  onafhankelijkheid impliceert onafzetbaarheid. Weliswaar is de organisatie van de rechtspraak een zaak van de lidstaten zelf, maar volgens het Hof van Justitie zijn zij verplicht daarbij de uit Europees recht voortvloeiende verplichtingen in acht te nemen, hetgeen voortvloeit uit het noodzakelijke wederzijdse vertrouwen. De Europese Commissie is dus ook bevoegd deze gedragslijn eventueel met dwangmiddelen te verzekeren, hetgeen extra interessant is in het licht van het voornemen om met ingang van 2021 de toekenning van EU-fondsen afhankelijk te maken van het in acht nemen van de beginselen van de rechtsstaat.

Volgens de Poolse regering heeft deze uitspraak van het Hof overigens alleen nog maar “historische betekenis”, omdat zij, na de tussenuitspraak van het Hof in deze zaak van oktober 2018, eieren voor haar geld koos en in noodtempo een herstelwet heeft geforceerd waarin aan de opvatting van het Hof tegemoet werd gekomen.

Klik hier voor onze (Engelstalige) samenvatting van deze uitspraak.

 

Advies aan EU-hof over Raad voor de Rechtspraak en Disciplinaire Kamer van Hooggerechtshof

Deze conclusie (ECLI:EU:C:2019:551) betreft de bij het Hof van Justitie ingediende drie prejudiciële vragen hierover van het Poolse Hooggerechtshof:

  1. de rechtsgeldigheid van de nieuwbenoemde Raad voor de Rechtspraak (RvdR)
  2. de (door de Poolse regering opgeworpen) vraag, of gezien het feit dat lang niet alle lidstaten (o.a. ook Duitsland niet) een “Raad voor de Rechtspraak” hebben, de Poolse Raad voor de Rechtspraak (RvdR) wel volgens gemeenschappelijke communautaire criteria mag worden beoordeeld;
  3. of dit alles überhaupt wel onder de competentie van de EU-organen valt.

Hoewel Advocaat-Generaal (AG) Jewgienij Tanczew toegeeft dat in de EU hiervoor een eenvormig model ontbreekt, wijst hij erop dat in lidstaten waar een dergelijke Raad wél bestaat, er bepaalde algemene beginselen zijn met name in verband met de opdracht van de lidstaten om “de rechterlijke onafhankelijkheid” te verzekeren. Zoals, aldus de AG: deze Raden “moeten geheel vrij zijn van beïnvloeding van de kant van wetgevende en uitvoerende organen”; hun samenstelling moet onafhankelijkheid verzekeren (“in het bijzonder moeten zij in beginsel bestaan uit rechters gekozen door rechters”), en hun zittingstermijn “mag niet aan de datum van parlementaire verkiezingen worden gekoppeld”.

In dit verband wijst de AG erop dat de huidige benoemingsprocedure van de leden van de Poolse RvdR inderdaad “ongerechtigheden vertoont, die haar onafhankelijkheid van wetgevende en uitvoerende organen kunnen bedreigen”. Zoals het feit, waarop het Poolse Hooggerechtshof had gewezen bij het stellen van de prejudiciële vragen, dat vóór de wetswijzigingen van 2017 nog 15 van de 25 leden van de RvdR “rechters waren gekozen door rechters”, maar dat die 15 leden tegenwoordig in feite worden benoemd door de Sejm (de “Tweede Kamer” van het Parlement). Met het gevolg dat tegenwoordig liefst 23 van de 25 leden van de RvdR niet door de rechterlijke macht zijn aangewezen.

De AG deelt nu dus de twijfels van het Poolse Hooggerechtshof, en is het ermee eens dat de wijze van benoeming van de leden van de RvdR nu beïnvloed wordt door de wetgevende macht, en dat niet kan worden uitgesloten dat de Sejm kandidaten kiest wier benoeming niet wordt gesteund door de rechterlijke macht. Ten gevolge hiervan “is het denkbaar dat de opvattingen van de Rechterlijke Macht bij de keuze van de leden van de RvdR onvoldoende meewegen”. Vooral deze overwegingen brengen de AG vervolgens tot de conclusie dat de door de RvdR benoemde Disciplinaire Kamer van het Hooggerechtshof dus niet voldoet aan de eisen van rechterlijke onafhankelijkheid.

Het Hof van Justitie heeft in zijn uitspraak hierboven voor het eerst duidelijk aangegeven dat organen van de EU het recht hebben de onafhankelijkheid van rechters van lidstaten te toetsen. De door de AG nu ter discussie gestelde onafhankelijkheid van de Disciplinaire Kamer van het Poolse Hooggerechtshof ondersteunt dus ook de argumentatie van de Europese Commissie in de door haar in april gestarte inbreukprocedure op basis van art. 7 EU-verdrag, in verband met het nieuwe disciplinaire systeem voor Poolse rechters.

Op de problemen met de Poolse RvdR was ook al eerder gewezen door het Europese Netwerk van Raden voor de Rechtspraak, dat in 2018 de Poolse RvdR heeft geschorst als lid. Ook de Venetië-commissie heeft de Poolse regering gewaarschuwd dat de politisering van de Poolse RvdR strijdig is met de normen van de Raad van Europa.

Conclusies van de AG worden bijna altijd door het Hof van Justitie gevolgd. Door juristen wordt erop gewezen dat dit zou kunnen betekenen dat de RvdR in haar huidige vorm geen bestaansrecht heeft en dat al haar besluiten, met name rechtersbenoemingen, geen rechtsgevolg hebben. Onder anderen hofpresident Gersdorf  wijst erop dat ook de besluiten van de nieuwe Disciplinaire Kamer bij het Hooggerechtshof straks dus op los zand kunnen blijken te berusten. De mogelijke gevolgen zijn moeilijk te overzien. Prof. Marcin Matczak (Universiteit van Warschau): “De reacties van politici van PiS (de regeringspartij Recht en Rechtvaardigheid) tonen aan dat PiS een anti-EU-partij is en de positie van Polen binnen de EU misbruikt in haar oorlog met de rechterlijke macht”.

Paul Meijknecht

 

Bronnen: Gazeta Wyborcza 24, 27 en 28 juni 2019 (o.a. Bielecki, Woznicki, Dobrosz-Oracz)